handen op het gepolijste tafelblad, op de mok,
het harde glas, op de stof van de eigen broek,
je lippen amper op het boordje en dan het blazenhet dirigeren van de stoom, een kleine expeditie
van molecules over een oppervlak waaruit net nog
iets spatte, waar iets borrelde, opsteeg, bewooghet wervelende water, de deinende deeltjes,
de vloeibare welvingen van iets dat zich overgeeft
terwijl wij ons vel verwarmen, onze vingers liggenop het randje van verbranden. hitte sijpelt in huid,
in hout dat onbewogen blijft bij al dit dansen,
bij de vraag of wat wordt ingeslikt niet verstikt