Frederik De Cock
Terwijl de peer tussen de vlechten van de mand
sappig lag te wezen, dacht haar klokhuis
vaak aan vroeger terug: aan ontluikende bloesem,
onvoorwaardelijke samenhang, het intens genot
samen geplukt te worden.
Maar toen ik haar onlangs liggen liet
voor rijpere soortgenoten
was de peer geaffronteerd,
voelde ze zich uitgesloten van deelname
aan dagelijkse fruitexploten.
Sindsdien begon ze te rimpelen,
werd ze bang om te butsen,
trok zich terug en leidde een stil leven
aan de rand van de vruchtenmand.
Uit medelijden sneed ik haar in vieren,
liet haar zachtjes sudderen,
zag haar nog even kleuren
voordat de honger het won van de spijt
en ik haar gretig consumeerde.
Het was pas dan dat ik me realiseerde
hoeveel smaak ze al die tijd bezat,
op het moment dat ze in gestoofde stukjes
uit het zoete leven trad.