Gust Peeters
Ik fluister. Moet blijven spreken,
onhoorbaar zacht, op stille toon
de woord- en zinloosheid doorbreken
wijl ik nog steeds in letters woon.
Het duistert. De lange dagen
voorgoed voorbij, achter de rug
de antwoorden op weinig vragen.
Nog veel te komen, veel te vlug.
Gekluisterd. Met touw gebonden,
geen handen vrij, geen vingerbreed
de inkt gedept uit al mijn wonden.
Mij blijft nog taal eer ik vergeet.