Annika Cannaerts
Hoe tongen ook sissen en kwaadspreken, mijn voeten
herkennen goede grond, hier is de plek waar ik aankwam
achter gevels het getik van een vork die eigeel met suiker roert
schuimig klopt en tikt en tikt en iemand zingt
waar ben je geweest, alsof deze plaats al zoveel jaren
mijn geliefde is, ik doop een amandelkoekje in de muntthee
vergaap mij tussen de geuren van kruiden en wierook
aan de auto die vergeefs parkeerplaats zoekt en in rondjes rijdt
langs straten waar ruziënde buren schreeuwen, elkaar weer
in de armen vallen langs het groen dat slingert van gevel naar gevel
we zullen bomen planten en praten tussen het gebladerte
over het verdriet dat ook van hier is