Bijna elke ochtend als ik de kamer in kom
en door het grote venster kijk,
hengel je naar een uitgesproken goeiemorgen –
je vangt mijn blikmet een snel stijgend ochtendgloren – ademloos ben ik -,
een onnavolgbare kleurovergang achter het silhouet van de stad.
Door een gevel met bladgoud bekleed in de verte,
waar tweemaal Helios zijn wagen naar het westen wendt.Soms enkel maar grijstinten en schaduwen in mist,
of ijzige stilte op een sneeuwwit tapijt.
Bijwijlen een dreigende hemel weerstaan door trotse regenboog,
voorbode van loodgrijze avondlucht boven koperen stad.Hier vlakbij verborgen de welige oever
en zichtbaar het water – steeds stromend – soms glad soms onstuimig,
’s zomers overtroefd door kruinen van groen,
’s winters gesluierd met zwartkanten takken.Altijd anders begint mijn dag.
Nooit uitzichtloos.